De ondernemingsraad die geacht wordt niet meer te bestaan


Artikel 2 lid 2 van de Wet op de ondernemingsraden bepaalt dat, indien bij een onderneming na de instelling van een ondernemingsraad minder dan (in de regel) 50 personen werkzaam zijn, de ondernemingsraad van rechtswege ophoudt te bestaan. Dit brengt met zich dat een ondernemer niet langer een ondernemingsraad in stand hoeft te houden wanneer de zittingsperiode van de ingestelde (maar niet verplichte) ondernemingsraad voorbij is. Echter, hoe moet worden omgegaan met de omstandigheid dat de ondernemingsraad weliswaar niet meer in stand hoeft worden gehouden, maar wel zo wordt behandeld?

Hierover heeft het Hof Amsterdam (Ondernemingskamer) zich op 10 februari 2017 onder meer uitgelaten in een (ongepubliceerd) arrest.

De casus zag op een spoorwegonderneming die – kortgezegd – de werkzaamheden van haar financiële afdeling van Nederland naar Polen wilde verplaatsen. Hier werd reeds uitvoering aan gegeven toen de ondernemingsraad de spoorwegonderneming berichtte dat sprake was van een adviesplichtig besluit. De ondernemingsraad dringt erop aan de genomen stappen terug te draaien en alsnog de wet te volgen. De spoorwegonderneming stelde aanvankelijk dat de ondernemingsraad heeft opgehouden te bestaan (vanwege het aantal werknemers), maar vraagt vervolgens alsnog de ondernemingsraad om advies. Dit brengt de ondernemingsraad ertoe naar de Ondernemingskamer te stappen.

De Ondernemingskamer oordeelt als volgt.

Ten aanzien van de vraag of de ondernemingsraad al dan niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, overweegt de Ondernemingskamer dat de bestuurder en de ondernemingsraad samen verantwoordelijk zijn voor de goede vormgeving van de medezeggenschap, doch dat die verantwoordelijkheid zwaarder rust op de bestuurder. Niet ter zake doend is de omstandigheid dat de ondernemer een vennootschap in buitenlandse handen is, die geen eerdere kennis of ervaring heeft met de WOR; dit komt volledig voor rekening van de onderneming.

Er bestaat onduidelijkheid over het aantal werknemers aan het einde van de laatste zittingstermijn. In dit geval kan hieraan echter voorbijgegaan worden, nu de ondernemingsraad sindsdien als zodanig is bejegend en heeft gehandeld. Zo zijn er tijdens overlegvergadering geen opmerkingen gemaakt over de rechtsgeldigheid van de ondernemingsraad, is de ondernemingsraad als zodanig genoemd in correspondentie en is het budget van de ondernemingsraad nog onderwerp van overleg geweest.

Een en ander brengt met zich dat sprake is van een ondeugdelijke vormgeving van de medezeggenschap.

Om die reden kan niet worden gezegd dat de ondernemingsraad op de in de wet op de ondernemingsraden beoogde wijze in de gelegenheid is geweest om advies uit te brengen. Gelet op de reeds aangevangen veranderingen, gebiedt de Ondernemingskamer de ondernemer het besluit in te trekken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, nu de ondernemer bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot het besluit.

Meer informatie

Wilt u meer weten of heeft u vragen over dit onderwerp, dan kunt u contact opnemen met Paulien van der Grinten (E: vandergrinten@tk.nl of T: 071 – 535 80 86). 

29/5/2017
door Paulien van der Grinten
Paulien van der  Grinten

Paulien van der Grinten

Advocaat

Gedreven all round arbeidsrechtadvocaat, reizen, architectuur- en interieur. Teams: Collectief- en individueel ontslagrecht, Ziekte- en re-integratie, Medezeggenschapsrecht, Employee benefits.

Sector: Publieke sector

CV via LinkedIn

T +31 71 - 535 80 86
E vandergrinten@tk.nl