Het nadeel van de blokkeringsregeling in de BV: aandeelhouders blijven soms tot elkaar veroordeeld


Veel zakelijke samenwerkingen worden in de juridische vorm van een besloten vennootschap (B.V.) gegoten. Die rechtsvorm heeft veel voordelen: de risico’s die voortvloeien uit de samenwerking worden ondergebracht in een aparte entiteit en de aparte B.V. maakt het eenvoudiger om de onderneming te verkopen of financiering aan te trekken. Het gezamenlijk ‘aangaan’ van een B.V. kan in sommige gevallen ook nadelen met zich meebrengen. Dit artikel gaat over één van die mogelijke nadelen.

De statuten van de B.V. bepalen normaal gesproken dat de aandeelhouders hun aandelen niet zonder meer aan een derde partij kunnen overdragen. Dit heet een blokkeringsregeling. De blokkeringsregeling is bedoeld ervoor te zorgen dat de aandeelhouders niet tegen hun wil te maken krijgen met een nieuwe zakenpartner die zij niet kennen of willen.

Keerzijde

De blokkeringsregeling heeft soms echter ook een negatieve keerzijde. Als er in de B.V. een conflict ontstaat tussen de aandeelhouders, kan de blokkeringsregeling ertoe leiden dat de aandeelhouders ongewild tot elkaar veroordeeld blijven. Een typisch voorbeeld van deze ‘ijzeren houdgreep’ kwam laatst aan de orde in een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland. Ik zal die zaak hierna kort beschrijven.

Casus

In deze zaak bestuurde persoon A een B.V. waarvan hij zelf ook de enige aandeelhouder was. Vanuit de B.V. werd een fysiotherapiepraktijk uitgeoefend. Persoon A kwam in gesprek met personen B en C. Die twee personen exploiteerden samen een maatschap, ook in de zorgsector. Persoon A wilde de zorgonderneming van B en C wel overnemen. Vervolgens kwamen A en C overeen dat C haar ‘deel’ van de maatschap zou verkopen aan de B.V. van A. Daarnaast spraken de partijen af dat B in dienst zou treden bij de B.V. van A en dat persoon B haar ‘deel’ van de maatschap ‘mee zou nemen’ naar de B.V. van A. Als tegenprestatie voor deze inbreng kreeg B 50% van de aandelen in de B.V. van A. Deze afspraken tussen A en B werden vastgelegd in een koopovereenkomst en de aandelen die B zou verkrijgen werden bij de notaris door A aan B geleverd. Tot zover leek er weinig aan de hand.

Helaas verliep de samenwerking tussen A en B niet zoals gehoopt. Volgens A had B zich onvoldoende ingespannen om haar werkzaamheden vanuit de gezamenlijke B.V. voort te zetten. Volgens A hadden hij en de B.V. schade geleden door de wanprestaties van B. Achteraf had A spijt dat hij 50% van de aandelen in de B.V. aan B had overgedragen. A wilde daarom de verkoop van de aandelen aan B terugdraaien. Het zal niet verbazen dat B haar eigen kijk had op de gang van zaken en dat ze niet wilde meewerken aan een ontbinding van de koopovereenkomst.

Intussen was er ook een buitenstaander – die noem ik hier partij Q – met interesse om de aandelen in de gezamenlijke B.V. over te nemen. De statuten van de B.V. bevatten een blokkeringsregeling, waardoor A en B steeds de toestemming van de ander nodig hadden om hun aandelen in de B.V. te kunnen verkopen aan een derde partij. Uit de uitspraak van de rechtbank maak ik op dat Q gelijktijdig aparte onderhandelingen met A én B voerde over de koopsommen voor hun aandelen. Op een zeker moment tijdens dit proces deed Q aan B een aanbod voor de koop van haar aandelen. Vervolgens vroeg B per e-mail toestemming aan A voor de overdracht van haar aandelen aan Q:

“Graag verneem ik van jou hoe jij staat tegenover het voorstel van Q; zowel in jouw rol als bestuurder als vanuit jouw positie als aandeelhouder. Gezien de tijdsdruk verwacht ik binnen 2 dagen respons.”

A reageerde hierop met een ietwat onduidelijk bericht, waaruit beide partijen verschillende conclusies trokken:

“Hoe ik tegenover het voorstel van Q sta is niet van belang. Ieder heeft een eigen traject met Q momenteel. We zullen er zelf uit moeten komen met Q.”

B dacht dat A door middel van het bovenstaande bericht instemde met de verkoop van de aandelen van B aan Q, terwijl A betoogde dat zijn bericht niet op die manier mocht worden geïnterpreteerd. Om te voorkomen dat B haar aandelen zonder de toestemming van B zou overdragen aan Q, legde A beslag op de aandelen van B.

In de procedure die volgde op deze gang van zaken eiste A (onder meer) dat de koopovereenkomst tussen A en B zou worden ontbonden en dat B haar aandelen in de B.V. aan hem terug zou leveren. Ook eiste A dat het B zou worden verboden om haar aandelen aan een buitenstaander over te dragen in strijd met de blokkeringsregeling.

De rechtbank besliste in deze zaak dat de koopovereenkomst tussen A en B niet zou worden ontbonden. De rechter overwoog dat áls B al tekort geschoten zou zijn in haar werkzaamheden, dat dit primair een aansprakelijkheid van B ten opzichte van de B.V. zou opleveren. Als aandeelhouder in de B.V. zou A in een dergelijk geval hooguit indirecte schade hebben geleden en in principe geen recht hebben op schadevergoeding. In de notariële leveringsakte tussen A en B stond – dat is gebruikelijk – trouwens ook een ontbindingsverbod. De koopovereenkomst bleef dus in stand en B bleef aandeelhouder van 50% van de aandelen.

Het verbod dat A had geëist (inhoudende dat B haar aandelen niet aan een buitenstaander zou mogen overdragen) wees de rechtbank ook af. Volgens de rechtbank was gebleken dat Q zich inmiddels helemaal had teruggetrokken als potentiële koper en had B inmiddels aangegeven dat zij aandeelhouder zou blijven. A had dus geen belang meer bij de oplegging van een verbod aan B.

Na deze uitspraak van de rechtbank is het probleem tussen A en B waarschijnlijk nog steeds niet opgelost. Beide partijen hebben ongetwijfeld flinke (juridische) kosten gemaakt, zonder dat ze een stap verder zijn. De verkoop aan Q is inmiddels afgeketst en de relatie tussen A en B is vermoedelijk onherstelbaar beschadigd. Mede als gevolg van de blokkeringsregeling zijn A en B min of meer tot elkaar veroordeeld.

Conclusie

Zorg ervoor – zeker bij joint ventures in de vorm van een B.V. – dat bij het opstellen van de statuten (en, als die er is: de aandeelhoudersovereenkomst) goed wordt nagedacht over regels die gelden wanneer er een geschil ontstaat. Op welke manier wordt de koopprijs vastgesteld als één van de partijen wil uittreden? Op welke manier moeten de aandelen aan de samenwerkingspartner worden aangeboden vóórdat een buitenstaander de aandelen kan kopen? Het is stukken gemakkelijker over dit soort onderwerpen overeenstemming te bereiken als de relatie nog goed is dan wanneer de verhoudingen al volledig zijn verziekt.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u vrijblijvend contact opnemen met Ruud Vaan, advocaat, via T. 071 535 80 00 of vaan@tk.nl

 

02/10/2017
door Ruud de Vaan
Ruud de Vaan

Ruud de Vaan

Advocaat

CV via LinkedIn

T +31 - 71 535 80 38
E devaan@tk.nl