Wet Markt en Overheid vereist zorgvuldige voorbereiding en motivering van besluiten tot aanwijzing van activiteiten in algemeen belang


In een drietal uitspraken van 22 maart 2018 maakt de Rechtbank Rotterdam duidelijk dat besluiten van overheden tot het aanwijzen van economische activiteiten, als activiteiten die plaatsvinden in het algemeen belang in de zin van de Wet Markt en Overheid, zorgvuldig moeten worden voorbereid en deugdelijk moeten worden gemotiveerd.

De Wet Markt en Overheid geeft gedragsregels voor bestuursorganen die zelf economische activiteiten verrichten. Zo moeten overheden aan de afnemers van hun economische activiteiten ten minste de integrale kosten van het product doorberekenen. Daarnaast kent de wet een verbod op het bevoordelen van overheidsbedrijven.

Deze gedragsregels zijn bijvoorbeeld van toepassing op de exploitatie van parkeergarages door gemeenten, de verhuur van ligplaatsen en camperstaplaatsen of het aanbieden van parkeerplaatsen op een gemeentelijk transferium.

De raad kan – indien het gaat om een gemeente - op grond van artikel 29h lid 5 Mw economische activiteiten of bevoordelingen vaststellen dat zij plaatsvinden in het algemeen belang. Deze vaststelling leidt ertoe dat de gedragsregels niet van toepassing zijn. Tegen een vaststellingsbesluit kunnen belanghebbenden, bijvoorbeeld concurrenten, bezwaar maken en beroep instellen.

Besluiten moeten op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb) zorgvuldig worden voorbereid. En daar gaat het in alle drie de zaken, waarover de Rechtbank Rotterdam op 22 maart 2018 oordeelde, mis voor de gemeente.

Uitspraak 1

In een eerste zaak, over een parkeerplaats in de gemeente Emmen, werd in het vaststellingsbesluit overwogen dat: “Bij de exploitatie van parkeergarages en het parkeren op straat is uitgangspunt dat dit in totaliteit kostendekkend dient te zijn. De exploitatie van de parkeergarages is op dit moment echter niet kostendekkend. De bereikbaarheid van de detailhandel en de leefbaarheid van het centrum komen in het gedrang als de integrale kosten in rekening worden gebracht.” Naar aanleiding van het bezwaar voegde de raad daar nog een verwijzing naar de beleidsdoelstellingen van de gemeente op het gebied van parkeerbeleid aan toe. De raad stelde dat wanneer zij de exploitatie van de aangewezen parkeergelegenheden aan de markt zou overlaten, de beleidsdoelstellingen niet althans onvoldoende realiseerbaar zijn. De rechtbank oordeelde echter, met een verwijzing naar de uitspraak van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 22 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:414, dat alvorens een vaststellingsbesluit wordt genomen, een afweging dient plaats te vinden tussen het belang dat met de vaststelling wordt nagestreefd en de belangen van eventuele derden - met name (reeds op de markt actieve) ondernemers - die door de vaststelling worden getroffen. Uit deze belangenafweging kan blijken dat de vaststelling enkel kan plaatsvinden indien daarbij tegelijkertijd compensatie wordt aangeboden voor de vergoeding van schade die redelijkerwijs niet ten laste van de belanghebbende hoort te blijven. In de bewuste zaak was niet gebleken dat de raad voorafgaand aan het nemen van het Vaststellingsbesluit kennis heeft vergaard over de af te wegen belangen. Daarmee blijkt dus ook niet dat de raad de belangen van derden, waaronder die van eiseres, heeft meegewogen.

Ga naar uitspraak Rechtbank Rotterdam – Gemeente Emmen

Uitspraak 2

In een tweede zaak, die speelde in de gemeente Stadskanaal, betrof het de verhuur van ligplaatsen en camperstaplaatsen. De rechtbank kwam tot een vergelijkbaar oordeel. Het algemeen belang dat door de raad was vastgesteld is - kort gezegd - dat de exploitatie van de camperstaplaats Spoordok een economische impuls geeft aan de middenstand/horeca in Musselkanaal. In het vaststellingsbesluit werd hier echter nauwelijks onderbouwing voor gegeven en werd slechts gesteld dat er geen marktpartij is in de directe omgeving die dezelfde dienst aanbiedt. In bezwaar werd daar nog een onderzoek aan toegevoegd, waarin met name werd ingegaan op het economisch belang van de exploitatie van de gemeentelijke camperstaplaatsen. De rechtbank oordeelde echter dat dit onderzoek zodanig gebreken vertoont dat geen sprake is van een gedegen onderbouwing. Kort gezegd kon niet duidelijk worden gemaakt waarop de in het rapport opgenomen uitgangspunten waren gebaseerd. Belangrijker nog is echter dat de rechtbank oordeelt dat onduidelijk is waarom het noodzakelijk is om de integrale kosten niet volledig door te berekenen. Enig onderzoek daarnaar ontbrak.

Ga naar uitspraak Rechtbank Rotterdam – Gemeente Stadskanaal

Uitspraak 3

In de derde zaak betrof het parkeerplaatsen op gemeentelijke transferia in de gemeente ’s-Hertogenbosch, bedoeld om de historische binnenstad te ontlasten. Ook in deze zaak werd geoordeeld dat onvoldoende onderzoek was verricht en niet was aangetoond dat het noodzakelijk was om de integrale kostprijs niet volledig door te berekenen.

Ga naar uitspraak Rechtbank Rotterdam – Gemeente ’s Hertogenbosch

Conclusie

Al met al moeten gemeentebesturen zich goed realiseren dat niet alleen het algemeen belang van de activiteit aangetoond moet worden en de belangen van derden moeten worden onderzocht, maar dat tevens moet worden aangetoond dat het in dat algemeen belang noodzakelijk is om de integrale kostprijs niet volledig door te berekenen.

Meer informatie

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Floris van Galen, vangalen@tk.nl of Lizette Jaques, jaques@tk.nl. U kunt ook telefonisch contact opnemen via 071 535 80 20.

 

09/4/2018
door Floris van Galen
Floris  van Galen

Floris van Galen

Advocaat

“Gedreven specialist omgevingsrecht. Werkt voornamelijk voor de publieke sector. Doceert staats- en bestuursrecht aan de Leidse Universiteit.”

Sectoren: Publieke sector, Vastgoed

CV via LinkedIn

T +31 71 - 535 80 50 / +31 6 10 41 12 45
E vangalen@tk.nl
voor Vastgoed